Recensie: The Man with the Poison Gun van Serhii Plokhy

The Man with the Poison Gun

The Man with the Poison Gun van Serhii Plokhy belicht een minder bekende maar historisch belangrijke affaire, namelijk die van Bogdan Stasjinski. Stasjinski was een door de KGB opgeleide hitman die in de tweede helft van de jaren ’50 in West-Duitsland twee liquidaties op zijn naam heeft gebracht van erkende tegenstanders van het Sovjet regime, de Oekraïense nationalistische leiders Lev Rebet en Stepan Bandera.
 

door Ben de Jong

 

Serhii Plokhy, The Man with the Poison Gun. London: Oneworld Publications (2016). 365pp. £12.04 bij Amazon.co.uk.

Politieke tegenstanders van Vladimir Poetin vallen de laatste jaren zoals bekend in Rusland en daarbuiten regelmatig dood neer. Velen wijzen met de beschuldigende vinger naar het Kremlin. De verdenking jegens Poetin c.s. wordt er alleen maar groter op omdat de moorden en liquidaties die in Rusland plaatsvinden door justitie en politie aldaar vrijwel nooit serieus worden uitgezocht. Een enkele keer wordt er een dader te voorschijn getoverd, waarvan meestal niet echt duidelijk is of hij werkelijk de trekker heeft overgehaald, maar wie de opdrachtgever is blijft in vrijwel alle gevallen volslagen duister. Over moorden op Russische burgers die in het buitenland worden gepleegd, komt meestal veel meer aan het licht, omdat het dan gaat om een buitenlandse, vaak westerse overheid die de zaak uitzoekt. Een goed voorbeeld is de liquidatie van de voormalige FSB-officier Alexander Litvinenko in Londen in 2006. Na enig tegenstribbelen van de Britse overheid en dankzij de grote hardnekkigheid van de weduwe van het slachtoffer is er een officiële Litvinenko Inquiry gestart, die in januari 2016 resulteerde in een lijvig rapport opgesteld door de voorzitter van de Inquiry, Sir Robert Owen.1 Hij wees als schuldigen twee Russen aan met connecties in de wereld van Russische inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Alexander Loegovoj en Dmitri Kovtoen. Owen meende verder dat de opdrachtgevers voor de liquidatie waarschijnlijk in de hoogste kringen van de Russische politiek moesten worden gezocht en wees daarbij met de beschuldigende vinger ook naar Poetin zelf.

De reeks moorden op tegenstanders van Poetin staat niet op zich, ze past in een politieke traditie van afrekeningen die teruggaat tot de begintijd van het Sovjet communisme. In die reeks is de moord op Trotski in Mexico in de zomer van 1940 uiteraard een van de bekendste. Opvallend is dat het bij vrijwel al die moorden ging om ‘verraders uit eigen gelederen,’ met andere woorden overlopers, anti-Sovjet emigranten en dergelijke. Westerse staatsburgers die het Sovjet communisme vijandig gezind waren, werden nooit het slachtoffer. Een andere opvallende eigenschap van deze operaties was dat daarbij vaak gebruik werd gemaakt van zeldzame soorten gif. Vanuit het perspectief van de opdrachtgevers was daarbij het voordeel dat artsen niet in staat waren het slachtoffer te behandelen, omdat zij niet wisten om welk gif het ging. Ook kon daardoor soms de doodsoorzaak moeilijk of helemaal niet worden vastgesteld. Gif werkt vaak pas na enige tijd, waardoor de kans dat de dader gepakt wordt aanzienlijk wordt verkleind. Een voorbeeld van een zeldzaam gif dat voor een dergelijke operatie werd gebruikt is Polonium-210, waarmee Litvinenko werd vergiftigd. Artsen stonden bij de behandeling van het slachtoffer voor grote raadsels en de aanwezigheid van de stof in zijn lichaam werd uiteindelijk slechts door toeval vastgesteld, vlak voor Litvinenko overleed. Ook bij de bekende paraplumoord in Londen in 1978 op de Bulgaarse balling Georgi Markov werd een zeldzaam gif gebruikt, ricine. De liquidatie werd waarschijnlijk door de Bulgaarse dienst DS uitgevoerd met belangrijke technische assistentie door de KGB.2 Door een paraplu waarin een schietmechanisme was gemonteerd, werd het gif in een kleine capsule in het lichaam van het slachtoffer 'geschoten'. Iemand als Pavel Sudoplatov, die bij de staatsveiligheidsdienst van de Sovjet-Unie werkzaam was tot 1953, wijst in zijn memoires op het veelvuldig gebruik van gif bij liquidaties. Volgens hem werden er in de periode dat hij in actieve dienst was, tal van tegenstanders van het Sovjet regime binnen de USSR met gif uit de weg geruimd. Een speciaal giflaboratorium zou al onder Lenin door de Tsjeka, een van de voorlopers van de KGB, zijn opgericht.3

The Man with the Poison Gun van Serhii Plokhy belicht een minder bekende maar historisch belangrijke affaire, namelijk die van Bogdan Stasjinski. Stasjinski was een door de KGB opgeleide hitman die in de tweede helft van de jaren ’50 in West-Duitsland twee liquidaties op zijn naam heeft gebracht van erkende tegenstanders van het Sovjet regime, de Oekraïense nationalistische leiders Lev Rebet en Stepan Bandera. (Beide Oekraïense leiders leefden, zoals bij Sovjet emigranten niet ongebruikelijk, in chronische onmin met elkaar.) Bandera, die in het huidige Oekraïne als een heilige wordt beschouwd en in het Rusland van Poetin standaard voor nazi wordt uitgemaakt, bracht het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog in nazi-concentratiekampen door. Hij was de leider van de Organisatie van Oekraïense Nationalisten (OOeN), een fel nationalistische beweging die tijdens de oorlog in het huidige West-Oekraïne onder etnische Polen en joden vele slachtoffers maakte. Bij de aanslagen op Rebet en Bandera werd cyanide gebruikt, dat met een wapen dat eruit zag als een pistool in het gezicht van het slachtoffer werd gesproeid. Hij overleed binnen enkele minuten en het zag er dan uit alsof hij door een hartaanval het leven had gelaten.

Serhii Plokhy baseert zijn zeer leesbare werk op veel materiaal in het Russisch en Oekraïens en heeft ook geput uit de archieven van de CIA en de huidige Oekraïense veiligheidsdienst SBOe. Stasjinski was afkomstig uit een klein dorp niet ver van het huidige Lviv in WestOekraïne, dat tot 1918 deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije. Van 1918 tot 1939 hoorde de regio bij Polen. Traditioneel waren de inwoners het Oekraïense nationalisme welgezind; zioj waren in de communistische periode vaak anti-Sovjet en na 1991 anti-Russisch. Tot ongeveer het midden van de jaren ' 50 was er een door de CIA gesteunde guerrillabeweging in WestOekraïne actief, die uiteindelijk door de KGB met harde hand werd neergeslagen. Met name in de tweede helft van de jaren '40 kwamen er in West-Oekraïne met enige regelmaat Sovjet functionarissen bij aanslagen om het leven. De OOeN en zijn militaire tak OePA speelden bij deze aanslagen een belangrijke rol. Ook Stasjinski, geboren onder Pools gezag in 1931, kwam uit een Oekraïens-nationalistisch nest. Rond 1950 raakte hij echter in de netten van de MGB verstrikt, weer een andere voorganger van de KGB.4 Onder druk van de MGB, die onder andere dreigde familieleden op te pakken, zag Stasjinski zich gedwongen als informant voor de staatsveiligheid te gaan werken. Hij verraadde onder meer leden van de eerder genoemde Oekraïense guerrillabeweging. Uiteindelijk werd hij door de KGB geselecteerd om in München Rebet en Bandera te liquideren, operaties die hij in 1957 en 1959 met succes uitvoerde.

Plokhy beschrijft uitvoerig de rekrutering en opleiding van Stasjinski en gaat gedetailleerd in op de beide aanslagen. Hij heeft zelfs precies de routes nagelopen die Stasjinski bij de aanslagen in München heeft gevolgd. Onder invloed van een nieuwe vriendin met wie hij later zou trouwen, de Oostduitse Inge Pohl, krijgt Stasjinski na de moord op Bandera wroeging over wat hij gedaan heeft. Met veel geluk weten de twee geliefden samen in augustus 1961, vlak voordat de Muur in Berlijn wordt gebouwd en de grens definitief dicht gaat, naar WestBerlijn te ontsnappen en vandaar naar West-Duitsland, waar Stasjinski zich vervolgens aangeeft bij de justitie van de Bondsrepubliek. Het daarop volgende proces tegen Stasjinski waarin hij tot acht jaar werd veroordeeld, resulteerde in een golf van negatieve publiciteit voor de KGB en de Sovjet-Unie. Dat leidde er weer toe dat de Sovjet leiders de daarop volgende jaren althans in het Westen geen gebruik meer zullen maken van het middel van de liquidatie, als we tenminste de moord op Markov in 1978 even buiten beschouwing laten.5 Na zijn voortijdige vrijlating in 1967 dook Stasjinski definitief onder met een nieuwe identiteit, volgens Plokhy naar alle waarschijnlijkheid in Zuid-Afrika. Het huwelijk met Inge Pohl lijkt tegen deze eindeloze reeks complicaties niet bestand te zijn geweest.

Opvallend aan de hier besproken liquidaties, zoals Serhii Plokhy terecht opmerkt, is dat slachtoffers zoals Bandera en Rebet nauwelijks een bedreiging vormden voor de almachtige Sovjet-Unie. Bandera’s beweging OOeN die vanuit West-Duitsland tegen de Sovjet-Unie ageerde stelde in de praktijk vrijwel niets meer voor, in de USSR al helemaal niet. De antiSovjet geschriften die Bandera in het Westen uitbracht, werden door anderhalve man en een paardenkop gelezen. Ook Litvinenko was buiten Rusland een marginaal figuur, die in westerse media nauwelijks op enige aandacht kon rekenen. Pas toen hij in november 2006 door Polonium-210 werd geveld, werd hij op slag wereldberoemd. Scherpe kritiek verdragen van eigen mensen, dat is voor Russische leiders erg moeilijk, zo leert de geschiedenis. Een criticus is al gauw een verrader die met de CIA of het Westen heult. Daarmee moet worden afgerekend. Dat was eind jaren ’50 onder Nikita Chroesjtsjov het geval en onder Poetin is het niet anders. 

noten

 

1 https://www.litvinenkoinquiry.org/report. Geraadpleegd op 3 april 2017. Vrijwel gelijktijdig met het rapport van Sir Robert Owen verscheen ook Luke Harding, A very expensive poison: The definitive story of the murder of Litvinenko and Russia’s war with the West. London: Guardian Books and Faber & Faber Limited (2016). Zie ook Andrew E. Kramer, ‘More of Kremlin’s opponents are ending up dead,’ The New York Times, 21 augustus 2016.

2 De voormalige KGB-officier Oleg Kalugin gaat in zijn memoires in op de rol van de KGB bij de planning van de moord op Markov. Oleg Kalugin, The First Directorate: My 32 Years in Intelligence and Espionage Against the West. New York: St. Martin’s Press (1994), pp. 178-186. Pavel Sudoplatov van wie hierna sprake is, beweert dat Kalugin voor zijn rol bij de planning van de liquidatie van Markov van de Bulgaarse regering een onderscheiding kreeg en als speciaal geschenk ook nog een vuurwapen. Pavel Sudoplatov and Anatoli Sudoplatov with Jerold L. and Leona P. Schecter, Special Tasks: The Memoirs of an Unwanted Witness - A Soviet Spymaster. Boston etc.: Little, Brown and Company, p. 282. 

3 Sudoplatov & Sudoplatov, a.w., pp. 278-284 en passim. 

4 De KGB, de russischtalige afkorting voor 'Comité voor Staatsveiligheid', bestond onder die naam in de SovjetUnie van 1954 tot 1991. 

5 Zie ook Christopher Andrew and Vasili Mitrokhin, The Mitrokhin Archive: The KGB in Europe and the West. Published with a new introduction. London etc.: Penguin Books (2000), p. 471.

 

 

Categorie