De vijand en zijn geheimen. Over de inlichtingengeschiedenis als vakgebied door Constant Hijzen

Wie een willekeurig boek over spionage openslaat, wordt al in de eerste zin deelgenoot van een dubieus geheim: de spion oefent het op één-na-oudste beroep ter wereld uit. Sinds hun vroegste bestaan hebben mensen ‘elkaar in de gaten gehouden om voorbereid te zijn op alle eventualiteiten’. Zo zou het oudste gedocumenteerde spionagegeval dateren van 1274 voor Christus, toen Muwatallis, de Koning der Hittieten, een slag won van Ramses II, nadat spionnen de Egyptische Farao ‘desinformatie’ hadden gevoed over de nabijheid van Muwatallis’ leger. Ook het feit dat de Chinese generaal Sun Tzu al rond 500 voor Christus een compleet hoofdstuk van zijn vermaarde boek ‘De kunst van het oorlogvoeren’ wijdde aan de militaire noodzaak van het verspieden, wordt vaak genoemd om de anciënniteit van het fenomeen spionage te adstrueren. Om dezelfde reden verwijzen veel auteurs naar de Bijbel, die met enige welwillendheid als een heuse spionageroman gelezen kan worden.  Zelfs de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) probeerde in de jaren zeventig lessen te trekken uit enkele Oud- en Nieuwtestamentische spionagegevallen.

Lees hier het hele artikel