Staan inlichtingendiensten samen sterker? - door Ben de Jong

MI6

Ondanks de grote aandacht voor diensten als de CIA en MI6 spelen vaak ook inlichtingen- en veiligheidsdiensten van kleinere landen een belangrijke rol op het internationale toneel. De samenwerking tussen diensten van verschillende landen is echter niet zonder risico. Gepubliceerd in Clingendael Spectator

Foto: Alex France (@CC)

In zijn ontslagbrief aan president Trump van 21 december 2018 maakte de Amerikaanse minister van Defensie James Mattis gewag van het grote belang dat hij hecht aan Amerikaanse allianties en samenwerking met bondgenoten. Mattis’ impliciete boodschap was dat deze zaken voor Trump minder gewicht in de schaal leggen, wat voor de minister een belangrijke reden was om zijn functie neer te leggen. Het zijn vooral allianties als de NAVO, maar ook de talloze bilaterale samenwerkingsverbanden van de Verenigde Staten in allerlei regio’s in de wereld, die de Amerikaanse buitenlandse politiek in de periode na 1945 zo’n belangrijke factor maakten binnen de internationale verhoudingen.

De gedachten gaan daarbij meestal uit naar diplomatieke of militaire samenwerking die voor de buitenwereld min of meer zichtbaar is. Er is echter ook een beleidsterrein dat zich meestal aan de gangbare waarneming onttrekt, namelijk dat van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. 

Uitwisseling van informatie tussen diensten van verschillende landen is inherent aan het inlichtingenbedrijf. Naarmate landen politiek dichter bij elkaar staan, werken hun diensten nauwer samen en wisselen ze meer informatie uit. De aandacht voor het doen en laten van dergelijke organisaties in de media en de geschiedschrijving geldt vooral voor diensten van mogendheden zoals de Verenigde Staten, Rusland en het Verenigd Koninkrijk. Nadere bestudering leert echter dat ook diensten van kleinere mogendheden zoals Nederland vaak een belangrijke rol spelen op inlichtingengebied binnen het westers bondgenootschap. Landen als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk doen daar vaak hun voordeel mee.

De relatie tussen de BVD en een dienst als de CIA ging tijdens de Koude Oorlog veel verder dan het simpelweg uitwisselen van informatie

 

Zo was de uitwisseling van informatie door Nederlandse diensten als de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) met andere westerse diensten tijdens de Koude Oorlog zeer intensief. Twee Nederlandse auteurs formuleerden het in 1997 zo: ‘There was and is a constant intelligence sharing between the Dutch intelligence and security services and their American, British, German and Israeli counterparts.’(1) 

Nauwe samenwerking met de CIA

De relatie tussen de BVD en een dienst als de CIA ging tijdens de Koude Oorlog veel verder dan het simpelweg uitwisselen van informatie. In de jaren ’50 en ’60 beschikten de Amerikanen in vergelijking met een dienst als de BVD over bijkans onbeperkte financiële middelen en deelden daar soms ruimhartig van uit. Zo betaalde de CIA tegen 1958 de salarissen van ongeveer 51 van de 691 personeelsleden van de Nederlandse dienst. De CIA stelde de Nederlanders onder andere ook technische apparatuur ter beschikking die kon worden gebruikt voor het afluisteren van gebouwen en voor telefoontaps. Daarbij ging het om operaties waarbij de belangen van de twee diensten grotendeels samenvielen, voornamelijk om het afluisteren van communistische ambassades.

Zo lukte het de BVD om in de zomer van 1958 door de CIA geleverde afluisterapparatuur te plaatsen in het gebouw van de Chinese vertegenwoordiging (toen nog geen ambassade) aan de Alexanderstraat in Den Haag. Gedurende ruim vijf jaar leverde de operatie de BVD een schat aan informatie over China op in een periode dat het land voor westerse diensten vrijwel ondoorgrondelijk was. De inlichtingen afkomstig uit deze operatie werden door de BVD met de Amerikanen gedeeld. Datzelfde gold voor operatie Mongool. Bij dat project met de wat ongelukkige codenaam ging het om een grotendeels door de BVD opgezette pro-Chinese groepering, die in de jaren ’60 en ’70 gedurende zo’n vijftien jaar uitvoerige contacten onderhield met officiële Chinese instanties in Nederland en Beijing. Dat leverde de BVD veel informatie op over de politieke ontwikkelingen in China, met name op het terrein van de buitenlandse politiek (2). Met het oog op de roemruchte ‘opening naar China’ van de Amerikaanse president Richard Nixon en diens minister Henry Kissinger in het midden van de jaren ’70 was de CIA in dit soort informatie zeer geïnteresseerd.

Op eigen terrein in het voordeel

Als het om een operatie gaat die op Nederlands grondgebied wordt uitgevoerd, is een dienst als de BVD in vergelijking met de CIA in het voordeel. Dat geldt voor elke veiligheidsdienst die op eigen territorium opereert, in tegenstelling tot een inlichtingendienst als de CIA, die vooral op het grondgebied van andere mogendheden actief is. De BVD heeft relatief gemakkelijk toegang tot informatie waarover andere Nederlandse overheidsinstanties beschikken en heeft van de eigen politie en justitie niets te vrezen. Men kan ook zonder al te veel problemen een safe house aan de Amerikanen beschikbaar stellen, waar de CIA een ontmoeting met een agent veilig kan laten plaatsvinden.

Neem ook het succesvol afluisteren van de Chinese vertegenwoordiging in Den Haag. Door zijn kennis van de lokale omstandigheden was de BVD ongetwijfeld beter dan de Amerikanen in staat om in een vroeg stadium te weten te komen welk gebouw de Chinese overheid voor zijn vertegenwoordiging op het oog had. Het was immers zaak de afluistermicrofoons in de muren aan te brengen voordat de vreemde mogendheid het pand betrokken had. Om dit soort redenen kan een veiligheidsdienst van een relatief kleine mogendheid toch veel betekenen voor een veel grotere ‘zusterdienst’ als de CIA.

Gordievsky en Skripal

Een voorbeeld dat de rol van een kleinere dienst treffend illustreert betreft de relatie van de Deense dienst PET met de Britse inlichtingendienst MI6. Een van de grote triomfen van MI6 in de slotfase van de Koude Oorlog was de rekrutering van de KGB-officier Oleg Gordievsky in het midden van de jaren ’70 in Kopenhagen, toen hij daar gestationeerd was. Nadat Gordievsky in 1985 bij de KGB onder verdenking was gekomen, werd hij in datzelfde jaar door MI6 vanuit Moskou via de Sovjet-Finse grens naar het Westen ‘geëxfiltreerd’ (3). Het was de PET die bij de rekrutering in Kopenhagen een vitale ondersteunende rol speelde. De Denen hadden de gedragingen van Gordievsky al ruim voordat hij door MI6 werd benaderd uitvoerig in kaart gebracht. In Kopenhagen verrichtte de PET observatie en contra-observatie (4) voor MI6, regelde een safe house voor ontmoetingen van Gordievsky met de Britten en deed tal van andere zaken ter ondersteuning van wat een Britse operatie was. Het was daarom ook geen toeval dat Gordievsky na de exfiltratie in de zomer van 1985, die overigens met meer geluk dan wijsheid slaagde, aan de veilige kant van de Sovjet-Finse grens niet alleen door vertegenwoordigers van MI6 met open armen werd ontvangen, maar ook door twee medewerkers van de PET.

Operationele geheimen worden met een andere dienst gedeeld, wat het risico van lekken of verraad onvermijdelijk vergroot

Iets soortgelijks vond ongeveer tien jaar later in een andere uithoek van Europa plaats namelijk bij de rekrutering van de officier van de Russische militaire inlichtingendienst GROe Sergej Skripal door MI6 in Spanje in het midden van de jaren ’90. Het was Skripal die begin 2018 in Salisbury bijna het slachtoffer werd van een moordaanslag door de GROe met een zeldzaam zenuwgas. MI6 rekruteerde in Madrid destijds in samenwerking met de Spaanse veiligheidsdienst niet alleen Skripal, maar ook een collega van hem bij de rezidentoera van de GROe (5). Deze collega zou later onder onduidelijke omstandigheden in Moskou de dood vinden, waarschijnlijk als gevolg van een Russische wraakactie. Het zou een medewerker van diezelfde Spaanse dienst zijn die Skripal en diens collega aan de Russen zou verraden. Dit verraad leidde tot Skripals arrestatie en veroordeling in Moskou in 2004 (6). Dit voorbeeld illustreert het gevaar dat onvermijdelijk verbonden is met inlichtingensamenwerking: operationele geheimen worden met een andere dienst gedeeld, wat het risico van lekken of verraad onvermijdelijk vergroot.

Declaration of Independence

Ook al werkten de BVD en de CIA tijdens de Koude Oorlog op Nederlands grondgebied nauw samen, dat betekende niet dat de Amerikanen buiten medeweten van de Nederlandse dienst naar believen inlichtingenoperaties in Nederland konden uitvoeren. De dienstleiding van de BVD had in 1955 een Declaration of Independence opgesteld volgens welke de CIA in Nederland niet operationeel actief mocht zijn en geen mensen mocht benaderen zonder de BVD daarin te kennen. Of de Amerikanen zich aan deze afspraak hielden was een tweede. Feit is dat tijdens de Koude Oorlog tot vier keer toe de Chief of Station van de CIA in Den Haag is verzocht het land te verlaten en mogelijk zelfs persona non grata is verklaard (7).

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze Chiefs of Station iets te voortvarend waren geweest in hun operationele activiteiten in Nederland. Dit soort situaties komt nogal eens voor, ook tussen diensten die op tal van terreinen juist goed samenwerken. Vandaar de veel gehoorde uitspraak: ‘Bevriende diensten bestaan niet.(8)’

Hoezeer deze uitspraak niets aan geldigheid heeft ingeboet bewijzen ook de recente onthullingen van Edward Snowden. Hoewel uit deze onthullingen voor de zoveelste keer bleek dat Amerikaanse diensten op grote schaal inlichtingenoperaties tegen bondgenoten uitvoeren, staan de Amerikanen daarin bepaald niet alleen, integendeel. Ook binnen de NAVO onderschept men vaak over en weer elkaars berichten en probeert men codes te breken. Soms zetten bondgenoten zelfs menselijke bronnen tegen elkaar in, in het vak meestal ‘agenten’ genoemd. Tal van historische voorbeelden maken duidelijk dat de onthullingen van Snowden in dat opzicht niet nieuw zijn (9).

 Einde aan de samenwerking?

Ondanks het bovenstaande en de aanhoudende kritiek van president Trump aan het adres van de Europese bondgenoten lijkt er echter vooralsnog geen reden te veronderstellen dat er aan de inlichtingensamenwerking een einde is gekomen. Neem de Nederlandse operatie tegen de vier Russen die het begin 2018 op het hoofdkwartier van de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW) in Den Haag gemunt hadden. Het is duidelijk dat bij deze operatie door de Nederlandse overheid nauw met de Amerikanen en de Britten is samengewerkt. Een groot deel van de informatie afkomstig van de laptop en andere elektronica van de Russen die de Nederlandse Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) daarbij binnenhaalde, is ongetwijfeld niet alleen met Washington en Londen, maar mogelijk ook met andere NAVO-bondgenoten gedeeld.

De onuitgesproken angst van de vertrokken minister James Mattis is ongetwijfeld dat er een blijvende politieke verwijdering tussen de Verenigde Staten en West-Europa zal plaatsvinden die op termijn onvermijdelijk ook nadelig zal uitwerken op andere terreinen, zoals de samenwerking op het gebied van inlichtingen. Die bezorgdheid van Mattis heeft zijn redenen. Dat de NAVO als alliantie overeind blijft, lijkt dezer dagen immers minder vanzelfsprekend dan nog maar kort geleden. Zoals de Amerikaanse politicoloog Ivo Daalder het zeer recent in een interview uitdrukte: ‘De mogelijkheid dat de NAVO klapt moet je onder ogen zien.(10)’

noten

1. Bob de Graaff en Cees Wiebes, ‘Intelligence and the Cold War behind the Dikes: The Relationship between the American and Dutch Intelligence Communities, 1946-1994,’ Intelligence and National Security, Special Issue on Eternal Vigilance? 50 Years of the CIA. Edited by Rhodri Jeffreys-Jones, Christopher Andrew, pp. 41-58.

2. Voor de afluisteroperatie bij de Chinese vertegenwoordiging zie D. Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. ’s-Gravenhage: Sdu Uitgeverij Koninginnegracht (1995), pp. 326-333. Operatie Mongool wordt beschreven in Dick Engelen, Frontdienst. De BVD in de Koude Oorlog. Amsterdam: Boom (2007), pp. 83-105.

3. Voor de carrière van Gordievsky zie Ben Macintyre, The Spy and the Traitor: The Greatest Espionage Story of the Cold War. Z.p.: Viking (2018).

4. Contra-observatie betekent in dit geval dat de PET observeerde of Gordievsky bij zijn ontmoetingen met MI6 in Kopenhagen zelf mogelijk onder observatie door de KGB was.

5. Mark Urban, The Skripal Files: The Life and Near Death of a Russian Spy. London: Macmillan (2018). De rezidentoera is in het spraakgebruik van Russische inlichtingendiensten de term voor een vestiging van zo’n dienst in het buitenland, meestal op een ambassade. Bij de CIA spreekt men in dit verband van een station.

6. Sergej Skripal werd in de zomer van 2010 samen met drie andere Russen op het vliegveld van Wenen uitgewisseld tegen tien Russen die in de Verenigde Staten wegens spionage waren gearresteerd.

7. Constant Hijzen en Cees Wiebes, ‘“Wederzijdse waardering en vriendschap.” De Amerikaans-Nederlandse intelligence liaison in de jaren zestig en zeventig.’ In: Duco Hellema en Giles Scott-Smith, De Amerikaanse ambassade in Den Haag. Een blik achter de schermen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen. Amsterdam: Boom (2016), pp. 88-102. Volgens de oud-medewerker van de BVD Frits Hoekstra lichtten de Amerikanen en de Britten in Nederland regelmatig de hand met deze ‘onafhankelijkheidsverklaring.’ Frits Hoekstra, De dienst. De BVD van binnenuit. Amsterdam: Boom (2012), p. 123.

8. De uitspraak wordt toegeschreven aan de legendarische CIA-medewerker James Angleton

9. Zie ook Ben de Jong, ‘“Zo gaan bondgenoten niet met elkaar om.” De National Security Agency en West-Europa,’ Internationale Spectator, februari 2014, jrg. 68, nr. 2, pp. 6-9.

10. Michel Kerres, ‘We gingen schrijven omdat we dachten: dit gaat mis’, NRC Weekend, 19 en 20 januari 2019.